* Steun lernu!
lernu! functioneert dankzij jouw bijdrage.

Inloggen

Onthoud mij

HET WOORDENBOEK VORTARO*

Klik op de knop hierboven om het woordenboek te openen. In de helppagina's is uitleg te vinden over het gebruiken van het woordenboek.

>“La Vortaro”Pilger: “BER”Bick: “Esperanto-dansk”>

Help: * ?

DE CHATBOX TUJMESAĜILO*

Met deze chatbox kun je chatten met andere gebruikers van lernu!. Om de chat te starten, klik op een van de knoppen hierboven. Meer informatie vind je bij "Helppagina's".

Reguloj * *


Beknopte grammatica

Om de basisgrammatica van het Esperanto goed te kunnen begrijpen, moet je een paar termen kennen. Hieronder vind je een lijst grammaticale termen met een korte toelichting. (Deze pagina is bedoeld als inleiding en bevat daarom geen uitputtende beschrijving van alle grammaticale aspecten van de genoemde termen.)

Zelfstandig naamwoord (Substantivo)

Een zelfstandig naamwoord is een woord dat een voorwerp of ding aanduidt. Een zelfstandig naamwoord hoort bij de vraag 'Wat is het?' Voorbeelden: 'persono', 'ideo', 'nomo' kaj 'domo'. »

Meervoud (Pluralo)

Meervoud betekent dat het om meer dan één ding gaat. Voorbeelden: 'personoj', 'ideoj', 'nomoj' kaj 'domoj'. »

Bijvoeglijk naamwoord (Adjektivo)

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Een bijvoeglijk naamwoord geeft antwoord op de vraag 'Wat voor ... is het?' Bijvoorbeeld: 'bela', 'bona', 'longa', 'granda'. »

Werkwoord (Verbo)

Een werkwoord duidt een handeling of toestand aan. Een werkwoord geeft antwoord op de vraag 'wat moeten we doen?', 'wat gebeurt er?" of "wat doet hij/zij enz.?' Bijvoorbeeld 'kanti', 'staras', 'estis'. »

Bijwoord (Adverbo)

Een bijwoord zegt iets over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord, of zelfs een hele zin. Voorbeelden van bijwoorden zijn: 'bele', 'longe', 'hieraŭ'. »

Voorzetsel (Prepozicio)

Een voorzetsel is een woordje dat voor een zinsdeel staat, en dat de betekenis van dat zinsdeel bepaalt. Veel voorzetsels maken van hun zinsdeel een plaatsbepaling, bijvoorbeeld: 'sur', 'en', 'sub'. »

Persoonlijk voornaamwoord (Pronomo)

Persoonlijke voornaamwoorden zijn: mi, vi, ŝi, li, ĝi, ni, ili, oni, si. »

'Aanvoegsel': voorvoegsel, achtervoegsel (Afikso, Prefikso, Sufikso)

Voor- en achtervoegsels worden gebruikt om samengestelde woorden te maken. »

Onderwerp (Subjekto)

Het onderwerp is het belangrijkste woord (of groep woorden) van de zin, en is grammaticaal onafhankelijk van de andere zinsdelen. Meestal (maar niet altijd) is het onderwerp hetgeen, waarvan de actie uit gaat. Bijvoorbeeld in de zin 'Ik hou van jou' is 'Ik' het onderwerp. »

Lijdend voorwerp (Objekto)

Het lijdend voorwerp is hetgeen, waarop de actie is gericht. Bijvoorbeeld in de zin 'Ik hou van jou' is 'jou' het lijdend voorwerp. »



Inleiding  Elparolo