
Klik op de knop hierboven om het woordenboek te openen. In de helppagina's is uitleg te vinden over het gebruiken van het woordenboek.
“La Vortaro”Pilger: “BER”Bick: “Esperanto-dansk”
Help: * ? Meer....
In deze les leer je over de basis-uitgangen o (voor het zelfstandig naamwoord), a (voor het bijvoeglijk naamwoord) en j (voor meervoud). Daarnaast maak je kennis met de woordstammen grand, dom en infan.
In deze les leer je over het belangrijke voorvoegsel mal en maak je kennis met de woordstammen aŭt en bel.
De achtervoegsels et (dat de betekenis van een woord verzwakt/verkleint) en eg (dat de betekenis versterkt/vergroot) zijn gemakkelijk en handig. In deze les leer je hoe je ze kunt gebruiken.
In deze les leer je over het persoonlijk voornaamwoord mi (= ik) en de werkwoordsuitgang as die de tegenwoordige tijd aanduidt. Verder maak je kennis met de belangrijke woordstammen est en hom.
Het woordje ne (= ne) is essentieel en daarom is het belangrijk te leren hoe je het correct kunt gebruiken. N.B. In het Esperanto staat ne voor het woord dat ontkend wordt, bijv: "Mi ne ridas." (= Ik lach niet.)
kaj (= en) is een veel voorkomend woordje. Ook het persoonlijk voornaamwoord vi (= jij, jullie) komt heel veel voor. Let erop dat vi zowel in het enkelvoud als in het meervoud wordt gebruikt (daarom plaatsten wij het in de middelste kolom in de groep voornaamwoorden).
Het voorvoegsel ge en het achtervoegsel in worden gebruikt om de sekse aan te duiden. In deze les leer je hoe je ze gebruikt. Ook leer je de woordstammen afabl (afabla = aardig) en patr (patro = vader).
In deze les oefen je het gebruik van het achtervoegsel ul, dat een persoon aanduidt, en de woordstam jun. Deze elementen kunnen bijvoorbeeld gecombineerd worden tot "junulo" (=jongere).
De i-uitgang wordt gebruikt voor de onbepaalde wijs (infinitief) van het werkwoord, bijvoorbeeld manĝi (= eten), en wordt ook gebruikt na een hulpwerkwoord zoals volas (= wil/wilt/willen): "Mi volas manĝi." (= Ik wil eten.) - Daarover leer je meer in deze les.
Het bepalend voornaamwoord is la. Anders gezegd, la wordt gebruikt wanneer er gesproken wordt over iets bekends, iets overduidelijks of iets dat al eerder genoemd is. In deze les maak je ook kennis met het voorzetsel en (= in) en de woordstammen urb en mult.
In deze les leer je hoe je de uitgang n kunt gebruiken voor het lijdend voorwerp. Dat is een erg belangrijk om correct Esperanto te kunnen spreken/schrijven. We raden je aan om deze les meerdere keren te doen, tot je goed begrijpt hoe het werkt. (Je kunt ook meer uitleg lezen in de beknopte grammatica.)
In deze les leer je de persoonlijk voornaamwoorden ŝi (=zij) en li (=hij) en de woordstammen am en bon gebruiken.
Tellen in het Esperanto is vrij gemakkelijk dankzij het regelmatige systeem van telwoorden. Daarover gaat deze les.
In deze les leer je hoe je grote getallen kunt schrijven in het Esperanto. Let op: alleen tientallen (bijv. kvindek - 50) en honderdtallen (bijv. tricent - 300), worden aan elkaar vast geschreven, maar duizendtallen niet! (bijv. ok mil - 8000).
Je weet waarschijnlijk al dat as de uitgang is van werkwoorden in de tegenwoordige tijd. Op dezelfde manier is is de uitgang van de verleden tijd, en os de uitgang voor de toekomende tijd. Daarover leer je nu meer.
In deze les worden de veelvoorkomende voorzetsels al (= naar (... toe)) en el (= uit) behandeld.
In deze les leer je hoe je een bijwoord maakt met de uitgang e en hoe je het achtervoegsel ebl gebruikt. (Als je wilt weten wat een bijwoord ook al weer was, laat dan je muispijl zweven boven "Oftaj vortetoj kaj adverboj" en lees de uitleg die daar verschijnt.
In deze les maak je kennis met twee veelgebruikte woorden uit de reeks van de zogenaamde correlatieven, namelijk kio (=wat) en tio (=dat). De correlatieven worden samengesteld uit een voorste deel (bijv. ki- en ti-) en een achterste deel (bijv. -o).
In deze les leer je twee nieuwe persoonlijke voornaamwoorden, namelijk ni (= wij) en ili (= zij). Verder maak je kennis met het belangrijke voorzetsel pri (= over) en de woordstammen pens en oft.
In deze les leer je de rangtelwoorden gebruiken. Bij rangtelwoorden groter dan "deka" (= tiende), wordt gewoonlijk een streepje gebruikt. Bijvoorbeeld: "dek-tria" (=dertiende).
De werkwoordsuitgang u gebruik je wanneer je iemand wil aansporen, bijvoorbeeld: "Manĝu!" (= Eet!) - In deze les leer je ook hoe je de woorden mem (= zelf) en ankaŭ (= ook) en de woordstam dir kunt gebruiken.
In deze les leer je over het woord kiel (=hoe) en over de woordstam fart-.
In deze les leer je over de werkwoordsuitgang us die wordt gebruikt voor de voorwaardelijke wijs. De uitgang us wordt vaak gebruikt in combinatie met het woordje se (= als/indien).
Om een vraag te maken waarop het antwoord ja of nee is, wordt het vraagwoordje ĉu gebruikt. Daarover leer je meer in deze les. Je maakt ook kennis met het persoonlijk voornaamwoord ĝi ("het", soms ook "hij"), en het woord jes ("ja").
In deze les maak je kennis met de "correlatieven" die op -u eindigen. Maak je geen zorgen als je ze niet meteen allemaal kunt onthouden. Het is normaal dat het veel tijd kost om de correlatieven uit je hoofd te kennen.
In deze les leer je hoe je de voorzetsels kun (= met) en per (= met/door middel van) en de woordstammen vojaĝ en labor correct kunt gebruiken.
In deze les behandelen we de voorvoegsels re en ek en ook de woorden tuj (= meteen) en baldaŭ (= gauw, spoedig, zo).
In deze les maak je kennis met nog 3 correlatieven: kia, kie en tie. Daarnaast leer je tre (= zeer), ali en interes gebruiken.
In deze les behandelen we de trappen van vergelijking met de woorden plej (= meest), pli (= meer) en ol (= dan). We oefenen ook met de veelgebruikte woordstam ŝat.
Hierna nog meer correlatieven: kiam (= wanneer) kaj kiom (= hoeveel). Bovendien leer je het voorzetsel da in combinatie met kiom gebruiken. Nieuwe stammen zijn okaz en problem.
In deze les leer je over de belangrijke maar niet zo gemakkelijke woorden oni (= men) en si (= zich). Verder maak je kennis met het woord mem (= zelf) en met de woordstammen demand en parol.
Het voorzetsel de wordt op meerdere manieren gebruikt; daarover leer je meer in deze les. Verder maak je kennis met het woord nun (=nu) en met de woordstam temp.
In deze les leer je hoe je het achtervoegsel em en het voorzetsel pro (=wegens, om) kunt gebruiken.
De woorden kial (= waarom) en ĉar (= omdat) vormen a.h.w. een paar, om te antwoorden op een waarom-vraag gebruikt men vaak een omdat-antwoord. Over die nuttige woorden leer je in deze les.
In deze les leer je het gebruik van de woorden ĉi en dum (= tijdens/terwijl/gedurende/al).
De achtervoegsels ig en iĝ zijn erg belangrijk, maar niet zo heel gemakkelijk. In deze les zul je zien hoe je ig en iĝ kunt gebruiken. (Als je je later grondiger hierin wilt verdiepen, bekijk dan de minicursus Verbumado.)
Het woordje ke (=dat) heeft geen eigen betekenis, maar het geeft het begin aan van een bijzin die zelf geen "bijzin-inleidend" woord heeft. In deze les houden we ons onder andere met ke bezig.
In deze les leer je onder andere de achtervoegsels ind en end te gebruiken.
In deze les leer je hoe je de passieve deelwoorden kunt gebruiken.
In deze les leer je hoe je de actieve deelwoorden kunt gebruiken.