* Steun lernu!
lernu! functioneert dankzij jouw bijdrage.

Inloggen

Onthoud mij

HET WOORDENBOEK VORTARO*

Klik op de knop hierboven om het woordenboek te openen. In de helppagina's is uitleg te vinden over het gebruiken van het woordenboek.

>“La Vortaro”Pilger: “BER”Bick: “Esperanto-dansk”>

Help: * ?

DE CHATBOX TUJMESAĜILO*

Met deze chatbox kun je chatten met andere gebruikers van lernu!. Om de chat te starten, klik op een van de knoppen hierboven. Meer informatie vind je bij "Helppagina's".

Reguloj * *


Bildoj kaj demandoj

Aan het einde van elk deel van deze cursus krijg je enkele aanwijzingen over belangrijke of wetenswaardigetaal-onderwerpen. Hieronder zijn al die aanwijzingen nog eens bij elkaar gezet.

Parto 1

  • Alle zelfstandige naamwoorden, bijvoorbeeld "besto" (=dier) en "pomo" (=appel), eindigen op -o.
  • Het achtervoegsel -in- geeft vrouwelijk geslacht aan. Bijvoorbeeld "viro" (=man) - "virino" (=vrouw).
  • De woorden "viro" en "virino" kunnen voor mensen van alle leeftijden gebruikt worden.
  • De woorden "kio" (= wat) en "tio" (= dat) verwijzen naar iets dat verder niet met name wordt genoemd.

Parto 2

  • De woorden "kiu" (= welke/wie) en "tiu" (= die/diegene) verwijzen naar een persoon of een nader gedefinieerd iets.

Parto 3

  • Er zijn bij deel 3 geen aanwijzingen.

Parto 4

  • Er zijn bij deel 4 geen aanwijzingen.

Parto 5

  • Om aan te geven dat het om meerdere personen of dingen gaat (meervoud), gebruik je de uitgang -j. Bijvoorbeeld "domoj" (= huizen).

Parto 6

  • Er zijn bij deel 6 geen aanwijzingen.

Parto 7

  • Nu ben je alle persoonlijke voornaamwoorden tegengekomen: mi (= ik), vi (= jij), li (= hij), ŝi (= zij), ĝi (= het), ni (= wij), vi (= jullie), ili (= zij).

Parto 8

  • Omdat "ili" meerdere personen betreft, moet je "kiuj" (=wie [meervoud]) gebruiken om te vragen naar "ili".
  • Vergeet niet dat "kiuj" gebruikt wordt wanneer het gaat om personen (en gedefinieerde zaken/voorwerpen), en dat "kio" gebruikt wordt wanneer het gaat om (een) ongedefinieerde zaak/zaken (zowel voor enkelvoud als meervoud). (Het woord "kioj" is NIET correct in het Esperanto).

Parto 9

  • Het achtervoegsel -ist- duidt onder andere beroepen aan, bijvoorbeeld "instrui" (=lesgeven) - "instruisto" (=leraar). (De andere toepassingen van -ist- behandelen we in Deel 33.)

Parto 10

  • Tot nu toe ben je drie woorden tegengekomen die met "ki-" beginnen: kio (= wat), kiu (= wie of welke) en kie (= waar). In totaal bestaan er 10 van zulke woorden, en alle 10 komen ze in deze cursus aan de orde.

Parto 11

  • De hoofdfunctie van het woordje "ĉu" is het vragend maken van een zin, zodat er een vraag ontstaat waarvan het antwoord begint met "jes" (= ja) of "ne" (= nee). Bijvoorbeeld: van de zin "Ŝi estas Ana." (= Zij is Ana.) kun je de vraag "Ĉu ŝi estas Ana?" (= Is zij Ana?) maken. In het Nederlands maak je de zin vragend door de woordvolgorde te veranderen, in het Esperanto door het woordje "ĉu" toe te voegen maar zonder de volgorde te veranderen.

Parto 12

  • In plaats van "Mi estas Ana" kun je ook zeggen "Mia nomo estas Ana" (= Mijn naam is Anna). (Er bestaan nog andere manieren om hetzelfde te zeggen, maar in deze cursus gebruiken we alleen "Mi estas...".)

Parto 13

  • De uitgang -n geeft onder andere het lijdend voorwerp aan.
  • Om -n correct te kunnen gebruiken, moet je goed begrijpen wat een onderwerp en een lijdend voorwerp is. Als je daar niet zeker van bent, raden we je aan meer over het Lijdend voorwerp te lezen in het grammaticaoverzicht.

Parto 14

  • Wanneer het lijdend voorwerp van de zin in het meervoud staat, gebruik je de uitgang -jn. Bijvoorbeeld "Ana fotas virojn."(= Ana fotografeert mannen.).

Parto 15

  • Het woord "estas" (= ben/bent/is/zijn) wordt hoofdzakelijk gebruikt om een beschrijving aan het zinsonderwerp te koppelen. Daarom gebruik je geen -n-uitgang in zinnen zoals: "Ŝi estas programisto." (= Zij is programmeur.)

Parto 16

  • Een bijvoeglijk naamwoord (d.w.z. een woord dat een zelfstandig naamwoord nader beschrijft) heeft in het Esperanto de uitgang -a.
  • Als een vraag begint met "kia" (="wat voor..."), dan bevat het antwoord een bijvoeglijk naamwoord (een woord dat eindigt op -a). Bijvoorbeeld: "Kia libro estas?" ("Wat voor boek is het?") - "Estas interesa libro." ("Het is een interessant boek.")

Parto 17

  • Er zijn bij deel 17 geen aanwijzingen.

Parto 18

  • Er zijn bij deel 18 geen aanwijzingen.

Parto 19

  • De werkwoordsuitgang -is is de uitgang van de verleden tijd. Bijvoorbeeld "Ana fotis pomon." (= Ana fotografeerde een appel.).
  • De werkwoordsuitgang -as is de uitgang van de tegenwoordige tijd. Bijvoorbeeld "Ana fotas pomon." (= Ana fotografeert een appel.).

Parto 20

  • De werkwoords-uitgang -os is de uitgang van de toekomende tijd. Bijvoorbeeld "Ana fotos pomon." (= Ana zal een appel fotograferen.).

Parto 21

  • In het antwoord op een vraag die met "kiel?" ("hoe?") begint, wordt vaak een bijwoord gebruikt. (Een bijwoord is een woord dat iets zegt over een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord.) Een bijwoord maak je met de uitgang -e.

Parto 22

  • In het antwoord op "kiam?" (= wanneer?) gebruik je vaak een bijwoord dat een tijdsaanduiding geeft. (Een bijwoord is een woord dat iets zegt over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord.) Bijwoorden krijgen in het Esperanto de uitgang -e.

Parto 23

  • In het antwoord op "kie?" (= waar?) gebruik je een bijwoord of een voorzetsel met een zelfstandig naamwoord. Voorzetsels zijn bijvoorbeeld: "sur" (= op), "sub" (= onder) en "en" (= in).

Parto 24

  • Je hebt al gezien dat de uitgang -n gebruikt kan worden ter aanduiding van het lijdend voorwerp ("Ana fotas knabon." = Ana fotografeert een jongen.) De uitgang -n wordt ook gebruikt om een richting aan te duiden. Bijvoorbeeld: "kie" (= waar) - "kien" (= waarheen).
  • Na voorzetsels die een plaats aanduiden, kun je -n gebruiken om een beweging naar die plaats weer te geven. Bijvoorbeeld: "Mi iras en la cxambro." (= Ik loop (rond) in de kamer.) - "Mi iras en la cxambron. (= Ik loop de kamer in.).

Parto 25

  • Bezit wordt aangeduid met de, bijvoorbeeld "La hundo estas de Fang." (= De hond is van Fang.).

Parto 26

  • Er zijn bij deel 26 geen aanwijzingen.

Parto 27

  • Tientallen en honderdtallen worden als één woord geschreven: "dudek" (20), "tridek" (30), "ducent" (200), "okcent" (800). Alle andere getallen worden uitgesproken en geschreven als aparte woorden, ook duizendtallen: "dek unu" (11), "dek du" (12), "du mil" (2000).

Parto 28

  • De uitgang -n wordt ook gebruikt om een hoeveelheid aan te geven. Bijvoorbeeld "La pilko kostas ok euxrojn." (= De bal kost acht euro.).
  • "Stelo" is de naam van een munteenheid.

Parto 29

  • Er zijn bij deel 29 geen aanwijzingen.

Parto 30

  • De uitgang -i wordt gebruikt voor werkwoorden in de basisvorm, de infinitief. Bijvoorbeeld: "studi" (= studeren), "instrui" (= lesgeven).
  • Complexe werkwoordconstructies (...as + ...i) bestaan uit een hulpwerkwoord en een hoofdwerkwoord dat de infinitiefvorm krijgt. Bijvoorbeeld: "Ana volas studi." (= Ana wil studeren.)

Parto 31

  • Het achtervoegsel -em- duidt een neiging of ergens-zin-in-hebben aan.
  • Denk eraan dat als een vraag begint met "kia", het antwoord een woord bevat dat op -a eindigt. Bijvoorbeeld: - "Kia persono estas sxi?" (= Wat voor een persoon is zij?) - "Sxi estas bonkora persono." (= Zij is een goedhartig persoon.)

Parto 32

  • Het achtervoegsel -ul- duidt een persoon aan met de eigenschap die het stamwoord beschrijft. Bijvoorbeeld: "maljuna" (= oud) - "maljunulo" (= bejaarde)

Parto 33

  • Het achtervoegsel -ist- duidt een beroep ("fotisto"), een ideologie ("komunisto") of een hobby ("esperantisto") aan.

Parto 34

  • Het achtervoegsel -et- duidt een verkleining of vermindering aan.

Parto 35

  • Het achtervoegsel -eg- duidt een vergroting of versterking aan.

Parto 36

  • Het achtervoegsel -ig- geeft aan dat een bepaalde gebeurtenis door iemand/iets veroorzaakt wordt. Bijvoorbeeld: "la viro falas" (= de man valt) - "la viro faligas arbon" (= de man velt (doet vallen) de boom), "la virino kuras" (= de vrouw rent) - "la virino kurigas la ĉevalon" (= de vrouw laat het paard rennen).
  • Een werkwoord met het achtervoegsel -ig- heeft altijd een lijdend voorwerp (-n), maar dat hoeft niet altijd uitgesproken te worden (weglating).

Parto 37

  • Het achtervoegsel -il- duidt een werktuig of middel aan.

Parto 38

  • Het achtervoegsel -iĝ- duidt een verandering van toestand aan, of het ondergaan van een bepaalde gebeurtenis. Voorbeelden: "helas" (= het wordt licht) en "sxi lavas" (= zij wordt gewassen).
  • Een werkwoord met het achtervoegsel -igx- heeft nooit een lijdend voorwerp.

Parto 39

  • Het voorvoegsel ek- duidt een begin aan.

Parto 40

  • Het voorvoegsel ge duidt een combinatie van beide geslachten aan.

Parto 41

  • "Kioma horo estas?" betekent letterlijk: Het hoeveelste uur is het?

Parto 42

  • De werkwoordsuitgang -u is de uitgang van de gebiedende en de aanvoegende wijs.

Parto 43

  • De werkwoordsuitgang -us is de uitgang van de voorwaardelijke wijs.

Parto 44

  • Op "Kial" (= Waarom?) kun je antwoorden met "Cxar..." (= Omdat...).

Parto 45

  • Er zijn bij deel 45 geen Aanwijzingen.

Parto 46

  • Er zijn bij deel 46 geen aanwijzingen.

Parto 47

  • Er zijn bij deel 47 geen aanwijzingen.

Parto 48

  • Er zijn bij deel 48 geen aanwijzingen.

Parto 49

  • Er zijn bij deel 49 geen aanwijzingen.

Parto 50

  • Er zijn bij deel 50 geen aanwijzingen.